kasahorow Sua,

Woord Vandaag: De Partner

Inclusie elk taal.
Nederlands
Ik hebbes een wens. Ik willes de familie.
Ik ontmoetes een partner. De partner helpen me.
partner, nom.1
/-p-a-r-t--n-e-r/
Nederlands
/ ik znajdowaćes een partner
/// wij znajdowaćen een partner
/ u znajdowaćt een partner
/// jullie znajdowaćen een partner
/ zij znajdowaćt een partner
/ hij znajdowaćt een partner
/// ze znajdowaćen een partner

Familie Nederlands Woordenboek

<< [Adj:Previous] | [Adj:Next] >>