kasahorow Sua,

De Familie

Nederlands
familie, nom.1.3
/-f-a-m-i-l-i-e/
Nederlands
/ ik hebbes mijn familie
/// wij hebben onze familie
/ u hebbt je familie
/// jullie hebben uw familie
/ zij hebbt haar familie
/ hij hebbt zijn familie
/// ze hebben hun familie

Nederlands Huis Woordenboek

<< [Adj:Previous] | [Adj:Next] >>