kasahorow Sua,

De Zus

Nederlands
zus, nom.1
/-z-u-s/
Nederlands
/ ik hebbes een zus
/// wij hebben een zus
/ u hebbt een zus
/// jullie hebben een zus
/ zij hebbt een zus
/ hij hebbt een zus
/// ze hebben een zus

Nederlands Familie Woordenboek

<< [Adj:Previous] | [Adj:Next] >>